Play ball!

Een reis naar Amerika is natuurlijk niet compleet zonder het bezoeken van een sportwedstrijd. Ik ga naar Chicago om een oude hockeyvriendin op te zoeken en op de agenda staat meteen al een wedstrijd van de Blackhawks en later nog basketbal van de Bulls. Maar eerst ijshockey dus, al noemen ze het hier gewoon hockey. Met jetlag en al op naar het United Center! 

De Hawks spelen hun thuiswedstrijden in het enorme overdekte stadion op loopafstand van het centrum. Vanwege veiligheid is het toch beter om met de bus of Uber te gaan. Chicago komt meteen over als een veilige en vriendelijke stad, maar in de buurt tussen centrum en stadion schijnen nog weleens schietpartijen te zijn tussen bendes en daar wil je liever niet tussen terecht komen. Al voelt het helemaal niet onveilig, we nemen toch geen risico. 

Het stadion is verlicht in de clubkleuren en buiten staan twee standbeelden van grote spelers uit de geschiedenis. Onze tassen moeten we even afgeven bij een container verderop, waar een uiterst vriendelijke Amerikaan op onze spullen zal letten. De sfeer is verder relaxed, na een kleine controle met een detectiepoortje zijn we binnen. Daar krijgen we ook nog een cadeautje, een vrij monsterlijk beeldje van een van de spelers maar toch leuk.

De meeste fans dragen een wedstrijdshirt, die zonder bescherming eronder nogal oversized ogen. In de fanshop kosten ze al gauw 150 euro per stuk en dan heb je pas een standaard modelletje. Er zijn ook nog duurdere speciale uitvoeringen. Op een rij supporters zit dus al gauw een heel maandsalaris aan shirts. Het oogt wel sfeervol, al die fans in de clubkleuren en doordat de shirts groot zijn, kan er makkelijk warme kleding onder. Best een idee voor in het voetbalstadion eigenlijk. Koud is het er trouwens niet echt, ondanks de ijsvloer.

Een wedstrijdje NHL bezoeken is trouwens sowieso geen goedkope hobby, tickets gaan vanaf 60 dollar tot het tienvoudige als je echt achter het glas wilt zitten, bovenop het ijs. Een biertje kost 12 dollar, maar gezien de lichte staat van dronkenschap van onze buren op de tribune houdt de gemiddelde fan dat niet tegen het er flink van te nemen.

Helden

Voor de wedstrijd wordt traditioneel het volkslied gezongen, door een tikkeltje theatrale operazanger die echt alles uit de kast haalt. Naast hem staan drie veteranen, waarvan eentje uit de Tweede Wereldoorlog. Later tussen twee periodes in worden deze mannen nog een keer in het zonnetje gezet en gaat het publiek staan om uitgebreid voor ze te applaudisseren. Het maakt duidelijk hoe de Amerikanen met hun helden omgaan en wat een grote rol ‘the military’ hier speelt.

Voor we beginnen wordt er nog een held gehuldigd. Omdat het tien jaar geleden is dat de Hawks voor het eerst sinds 49 jaar de Stanley Cup (de Champions League van het ijshockey) wonnen, eren ze dit seizoen de spelers uit dat team. Vanavond is het de beurt aan Brian Campell die nog één keer in ‘full gear’ het ijs betreedt en een ererondje maakt. Het publiek staat op de banken voor hun oude held. 

Daarna is het tijd voor the game, tegenstander van vanavond is Tampa Bay Lightning. Hun fans zitten gewoon tussen het thuispubliek, zoals het hoort. Over en weer wordt er wel wat gedold, maar dat is juist wel leuk. Lightning begint goed aan de wedstrijd en de Hawks liggen meteen onder vuur. Het is aan hun keeper te danken dat er niet gescoord wordt. Dat gebeurt wel bij de eerste de beste powerplay, als er een speler van de Hawks op de strafbank zit.

NHL-ijshockey is aantrekkelijk om naar te kijken. Het spel is snel maar ook prima te volgen, ook al zitten we vrij hoog in het stadion. Er wordt niet veel gezongen door het publiek, maar als de mascotte in de vorm van een vogel op een trommel slaat zingen de fans ‘Lets go Hawks’. Al deze dingen zorgen ervoor dat je in no time in de wedstrijd zit. 

Tussen de periodes door is er ruimte voor entertainment of om wat te drinken de halen, best praktisch eigenlijk. Het ijs wordt geveegd door een soort cheerleaders met sneeuwschuivers of door een zamboni. Ook is er een shoot-outcompetitie voor fans die op de goal mogen schieten en door een gat in een bord moeten scoren. Er is een vrouw dit het lukt en dat wordt beloond met applaus. 

Het lijkt er lange tijd op dat de Hawks een doelpuntloze avond tegemoet gaan, maar als ze met wat geluk toch scoren, gaat het dak eraf. We high fiven met de fanatieke familie voor ons maar al snel scoort Lightning weer tegen. En als de Hawks alles of niets gaan spelen zonder keeper maken de bezoekers het meedogenloos af. Het stadion loopt daarna vrij snel leeg, veel fans hebben nog een lange weg naar huis te gaan.

Ondanks dat het stadion niet volzat, waren er toch 21.000 toeschouwers. Dat is evenveel als bij een gemiddelde wedstrijd van FC Utrecht en rond een veel kleiner veld. Opvallend is wel dat ijshockey een vrijwel witte sport lijkt, zowel op het veld als op de tribune. Met De Haan en Koekkoek bij de Hawks zien we wel wat Nederlandse namen, al zijn het allebei Canadezen. Het spel ligt weinig stil, fluiten hoeven de scheidsrechters niet veel wat het aantrekkelijk maakt om te kijken. Er is een keer een vechtpartijtje, en dat hoort toch ook wel een beetje bij deze sport die ons heeft vermaakt ondanks de nederlaag van de thuisclub.

‘His Airness’

Vier dagen later ben ik weer terug in het United Center, dit keer voor een basketbalwedstrijd in de NBA. De Chicago Bulls spelen namelijk in hetzelfde stadion, waar het ijs inmiddels is ingeruild voor het parket en baskets. Voor ik naar binnenga maak ik eerst een rondje door het stadion en zie ik de prijzenkast van de Bulls met zes NBA-bekers uit de jaren ‘90. Destijds keek ik graag naar Michael Jordan op televisie en had ik zelfs een shirt met zijn naam en nummer 23, gekregen van een vriend met Amerikaanse familie. In de hal van het stadion staat nu een groot standbeeld van ‘His Airness’ en staan toeristen en fans braaf in de rij voor een foto bij het beeld.

Het is best slim en efficiënt van de Amerikanen om de twee sporten in één stadion te huisvesten en daarnaast zijn er ook nog concerten. Verderop in Chicago heb je een nog het legendarische honkbalstadion Wrigley Field, maar dat seizoen zit erop dus daarvoor moet ik een andere keer terugkomen. Bij de Bulls zit ik laag in het stadion en bovenop het veld, kaarten voor basketbal zijn wat goedkoper dan bij hockey. Er is ook meer ruimte voor publiek omdat het basketbalveld ongeveer de helft van de grootte is van een ijshockeyveld. Je zou er zo op kunnen lopen, maar dat doet niemand.

Opvallend is dat het het publiek vanavond veel gemengder is dan donderdag. Naast mij zit een familie uit Austin (Texas) die over zijn om Thanksgiving te vieren bij familie in Chicago. Ze houden enorm van basketbal en praten mij bij over de tactiek en regels. Voor mij zit een stereotype Amerikaanse vrouw die schreeuwerig meeleeft met het spel en helemaal enthousiast wordt als ze hoort dat ik uit Nederland kom. Haar opa komt er zogenaamd vandaan, wat later Duitsland blijkt te zijn. Het is echt een avondje uit en de sfeer zit er goed in. Ook hier zie je veel fans in wedstrijdshirts, van de huidige helden maar ook nog steeds van Michael Jordan en Scottie Pippen.

De glorietijd van de Bulls is namelijk al een tijdje voorbij, maar de banners in de nok van het stadion herinneren aan alle titels, ook van de Hawks. Net als de retired numbers. Dat is wel een dingetje in Amerika, als spelers echt heel groot zijn geweest wordt hun nummer nooit meer gebruikt door een andere speler bij de club.

Gepiep

Het basketbalveld lijkt klein in vergelijking met dat van ijshockey, een beeld dat wordt versterkt door de mega lange spelers en de snelheid waarmee ze bewegen en passen. Opvallend is het gepiep de schoenen op de vloer, net als in het NBA-computerspel dat ik ooit speelde. De Bulls spelen vanavond tegen de Trail Blazers uit Portland, waarvan hier en daar ook wat fans zitten. Na opnieuw het volkslied, begint de Trail Blazers goed en zijn meteen doeltreffend met een aantal driepunters. De spelers zijn enorm wendbaar en de spelsnelheid ligt erg hoog. De Bulls blijven toch enigszins in de buurt bij Portland, mede door gegoochel met de bal van hun sterspeler Zach LaVine. Ongelooflijk wat een speler als hij in de kleine ruimte kan met de bal. Toch kan ook hij niet voorkomen dat de Trail Blazers vooral in het derde kwart hard weglopen en een ruime overwinning boeken. Dat is eigenlijk het enige smetje op de avond: de spanning is al voor het laatste kwart wel weg omdat de wedstrijd al beslist is met een verschil van meer dan twintig punten. 

Gelukkig is rond de wedstrijd ook nog genoeg te zien in het stadion. Halverwege is er een balanceer act en de mascotte (een grote rode pluchen stier)  strooit popcorn uit over het publiek. Over de tribune lopen mannen met bakken om hun nek en die erg aan de worstenman van FC Utrecht doen denken, alleen verkopen ze bier. Je hoeft dus eigenlijk niet van je plek, wat best ideaal is. 

Ook opvallend is dat het blijkbaar normaal is dat het publiek achter de basket er bij vrije worpen van de tegenpartij alles aan doet om de speler af te leiden. Met gejoel en gemep met witte opblaasstaven die speciaal daarvoor worden uitgedeeld door een soort entertainment team. Het komt niet zo sportief over maar het is blijkbaar part of the game. Bij een misser wordt harder gejuicht dan bij een score van het eigen team.

De scheidsrechters lijken klein bij de lange spelers, maar zijn ook enorm fit. Ze moeten steeds meerennen met het spel dat zich razendsnel verplaatst. We zien een aantal spectaculaire dunks en zo was mijn eerste bezoek aan een NBA-wedstrijd zeer de moeite waard. Er valt veel te juichen vanwege de vele scores, en ook voor mooie punten van de tegenpartij wordt soms voorzichtig geklapt. Misschien ook wel omdat er best veel mensen zitten die niet uit Chicago komen.  

Vloek

Blijkbaar breng ik Chicago geen geluk, want na de Hawks verliezen ook dus de Bulls. Gelukkig hadden ze hier al een andere vloek, bij honkbal: the curse of the Billy goat. Café-eigenaar William Saints werd in 1945 met zijn geit geweigerd bij het stadion van de Chicago Cubs omdat het dier stonk. Hij zwoer toen dat de Cubs nooit meer de World Series zouden winnen, een vloek die pas in 2016 werd verbroken.

De Amerikaanse sporten zitten dus ook vol verhalen en anekdotes en als je ze wat beter leert kennen zijn die minstens zo mooi als de onze. Van echt alles worden statistieken bijgehouden en kranten en boeken worden erover volgeschreven. Ze hebben tradities die op ons soms nogal overdreven overkomen, en de prijzen zijn soms nogal protserig zoals de kampioenschapsringen die iedere speler in een Amerikaanse competitie krijgt. 

Na het bezoeken van twee wedstrijden heb ik een veel beter beeld gekregen van de Amerikaanse sportbeleving en deze een stuk beter leren waarderen. Het Chicago Sports Museum maakte het helemaal af. De Amerikanen gaan op een hele charmante manier met hun geschiedenis om. In het museum kun je letterlijk in de basketbalschoenen staan van de speler met de grootste voeten en mag je de monsterlijke Super Bowl-ring even om je vinger schuiven. Daarnaast kun je er sporten uitproberen en je reactievermogen testen met interactieve spellen. 

Dagtaak

Echt overal in Amerika kun je naar live sport kijken, en door het tijdsverschil in dit immense land is dat bijna de hele dag. In die zin zou het voor mij het ideale land zijn. Al vind zelfs ik het niet persee heel gezellig als de tv ook aanstaat in een restaurant. Het lijkt me stiekem ook best vermoeiend om zoveel ‘grote’ sporten te hebben die je als echte fan ongetwijfeld allemaal wilt volgen. Als inwoner van Chicago kun je dus bijvoorbeeld fan zijn van de Blackhawks, de Bulls én de Cubs of White Sox. En dan heb je ook nog een heleboel kleinere clubs en collegeteams. Je kunt er een dagtaak aan hebben om dat allemaal te volgen.

Het barst in Chicago dan ook van de sportsbars en mensen vinden het leuk om erover te praten. Zo sprak ik in de trein een vrouw die vertelde vroeger fan geweest te zijn van Eric Heiden toen ze vroeg naar welke sporten we in Nederland veel kijken.

Ik heb enorm genoten van de Amerikaanse sporten, meer dan ik had verwacht eigenlijk. De fans zijn heel betrokken en ze doen er echt alles aan om de sport zo goed mogelijk te beleven. Alleen het American football heb ik nog niet echt begrepen. Dus misschien moet ik daar ook nog een keer heen, je moet tenslotte altijd een reden hebben om terug te komen. En zoals met bijna alle sporten: live is eigenlijk alles leuk.